Geschiedenis
Fossiele resten van Homo erectus, ook bekend als de Javamens, bewijzen dat de Indonesische archipel al bewoond werd zo’n 2.000.000 tot 600.000 jaar geleden. Austronesiërs die tegenwoordig het grootste gedeelte van de bevolking vormen migreerden vanaf Taiwan in zuidoostelijke richting. Ze bereikten Indonesië ongeveer 2000 voor Christus en verdreven daarbij de inheemse Melanesische bevolking richting het oosten. De ideale omstandigheden voor landbouw en de ontwikkeling van natte rijstbouw rond 800 v.Chr. zorgden ervoor dat dorpen, steden en kleine koninkrijken konden floreren rond de eerste eeuw v.Chr.. De zeestraten die in Indonesië zeer gunstig gelegen zijn, stimuleerde zowel de handel tussen de eilanden als wel de internationale handel. De handelsroutes met bijvoorbeeld de Indiase koninkrijken en China ontstonden reeds enkele eeuwen v.Chr.. Deze handel heeft sindsdien de geschiedenis van Indonesië sterk bepaald.
Vanaf de 7e eeuw floreerde het zeevarende koninkrijk Srivijaya als gevolg van de handel en de invloed van het Hindoeïsme en Boeddhisme dat hiermee geïmporteerd werden. Tussen de achtste en de 10e eeuw gingen de hoogontwikkelde landbouwbeschavingen van de boeddhistische Sailendra en hindoeïstische Mataram ten onder in de binnenlanden van Java. Ze lieten schitterende religieuze bouwwerken achter zoals de Borobudur gebouwd door de Sailendra's en de Prambanan van de Matarams. Het hindoeïstische Majapahit koninkrijk ontstond op oostelijk Java in de late 13e eeuw en onder Gajah Mada reikte zijn invloed over het grootste gedeelte van Indonesië. Deze periode wordt ook wel de gouden eeuw van Indonesië genoemd.
Hoewel islamitische handelaren al sinds het begin van het islamitische tijdperk Indonesië bezochten, dateren de eerste aanwijzingen voor een islamitische populatie pas uit de 13e eeuw, toen een groot gedeelte van het eiland Sumatra zich tot de islam bekeerd had. Gelijkelijk namen steeds grotere gedeelten van Indonesië de islam over als geloof en tegen het eind van de 16e eeuw was het zowel in Java als Sumatra de dominantie religie. De islam overlapte en mixte met de reeds bestaande culturele en religieuze tradities, welke van hun kant ook weer de vorm van de islam bepaalden, vooral op Java.
De eerste groep Europeanen arriveerden in 1512. Portugese handelaren onder leiding van Francisco Serrão, probeerden de herkomst van de specerijen nootmuskaat, kruidnagel en peper te vinden en deze voor de internationale handel te beheersen.
Nederlands bewind
Al snel volgden de Nederlandse en Britse handelaren. In 1602 richtten de Nederlanders de Verenigde Oost-Indische Compagnie op, ook wel VOC genoemd, en vormden zij de belangrijkste Europese macht in de regio. Na het faillissement van de VOC in 1798 kregen de Nederlandse belangen in het huidige Indonesië vanaf 1816 de officiële naam Nederlands-Indië mee en werden ze een kolonie.
Tijdens het grootste gedeelte van de koloniale periode had Nederland slechts een lage mate van autoriteit in de gehele archipel. Pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw kreeg de Nederlandse dominatie de omvang tot wat heden ten dage de grenzen zijn van Indonesië. Nederland onderdrukte nationalisten onder meer door het inrichten van een concentratiekamp in Nieuw-Guinea, Boven-Digoel (vanaf 1926). Nederland ontwikkelde de landbouw sterk, onder meer door een gespecialiseerde opleiding voor tropische landbouw in Deventer, en wist naast de traditionele zeer winstgevende gewassen als peper en foelie ook veel te verdienen aan andere landbouwproducten, zoals rubber en suiker. Indonesië werd een rijstexporteur van betekenis. Nederland ontwikkelde ook de oliewinning (Koninklijke Olie) en mijnbouw, waardoor Indonesië de 4e olieproducent ter wereld werd. De bevolking groeide van 1900 tot 1940 van 43 tot 70 miljoen mensen, oftewel met bijna 65 procent.
Japanse bezetting
De Japanse invasie in 1942 verliep snel en de geallieerden verloren hier in twee weken tijd meer schepen en mensen dan de Amerikanen in Pearl Harbor, namelijk 24 met ruim 3500 man. De daaropvolgende bezetting van Nederlands-Indië maakte een eind aan het Nederlandse bewind en stimuleerde de tot dan toe onderdrukte Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. Tijdens de Japanse bezetting werden vele Nederlanders - bijna 40% onder mensonterende omstandigheden - opgesloten in jappenkampen en de Indiërs werden gedwongen als dwangarbeiders (Romusha's) om mee te helpen met de Japanners. Dit viel echter in het niet bij de overige gevolgen van het beheer van de Japanners voor de Indonesische bevolking; de Japanners stichtten een terreurbewind met vele duizenden executies, niet zelden door onthoofding.
Door Japans (militair) wanbeheer ontstond in 1943 een grote hongersnood, die tot in 1944 en op sommige plaatsen tot de bevrijding duurde en volgens dr. L. de Jong 2,5 miljoen doden eiste, volgens anderen tot 4 miljoen. In de latere geschiedschrijving in Nederland kwam het leed van de Indonesische bevolking vrijwel niet aan de orde. De economie stortte feitelijk in en de grote productie van de voornaamste voortbrengselen zoals rubber, suiker, rijst, palmolie daalde drastisch.
Opmerkelijke Japanse projecten die tientallen duizenden levens hebben gekost zijn de Pakanbaroe-spoorweg (26.000 doden), de Birmaspoorweg (106.000 doden) en de slaventransporten op de zogenaamde helleschepen, waarbij de grootste scheepsramp uit de Nederlandse en Indonesische geschiedenis plaatsvond, die met de Junyo Maru, waarbij 5600 mensen verdronken. In de stad Pontianak op Kalimantan werden 1600 tot volgens sommigen 21.000 mensen door de Japanners omgebracht wegens vermeende deelname aan een anti-Japans complot, dat verzonnen bleek.
Onafhankelijkheidsstrijd en recente geschiedenis
Vele nationalistische sympathisanten kozen voor samenwerking met de Japanners. Twee dagen na de overgave van Japan op 17 augustus 1945, verklaarden de invloedrijke nationalistische leiders Soekarno en Hatta Nederlands-Indië onafhankelijk en Soekarno werd de eerste zelfbenoemde president van de Republiek Indonesië. Nederland verzette zich hiertegen en probeerde door middel van de zogenaamde "politionele acties" de onafhankelijkheid weer ongedaan te maken. Onder druk van de internationale gemeenschap erkende Nederland uiteindelijk in december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid met uitzondering van Irian Jaya. Lange tijd werd in Nederland alleen de onafhankelijkheidsdatum van 27 december 1949 gehanteerd. Irian Jaya werd uiteindelijk na een tussenbewind van de Verenigde Naties in 1963 aan Indonesië overgedragen.
Soekarno veranderde na de onafhankelijkheid van een democraat in een autoritair leider en onderhield zijn machtsbasis door te balanceren tussen het leger en de Communistische Partij van Indonesië (CPI). Een poging tot een coup in 1965 werd verhinderd door het leger dat meteen daarop een anti-communistische operatie begon. Tijdens deze operatie kreeg de CPI de schuld van de coup en de partij werd verpletterd door het leger. Tussen de 500.000 en 1 miljoen mensen werden gedood. Het hoofd van het leger, generaal Soeharto, maakte gebruik van de politieke zwakte van Soekarno en werd formeel tot president benoemd in maart 1968. Zijn regering van "nieuwe orde" werd ondersteund door de regering van de Verenigde Staten en dit stimuleerde de buitenlandse investeringen in Indonesië. Het gevolg hiervan was een stabiele economische groei voor meer dan 30 jaar. De "nieuwe orde"-politiek werd in Indonesië en internationaal sterk bekritiseerd vanwege de corruptie en de onderdrukking van de politieke oppositie.
Tijdens de Aziatische financiële crisis in 1997 en 1998 was Indonesië het land dat het hardst getroffen werd. Dit verergerde de ontevredenheid onder de burgers over de regering en uiteindelijk leidde het tot grootschalige protesten. Soeharto trad hierdoor uiteindelijk af op 21 mei 1998. In 1999 stemde Oost-Timor voor onafhankelijkheid van Indonesië. Dit gebeurde na een hardhandige 25-jarige militaire bezetting van het gebied, die slechts ten einde kwam na tussenkomst van de Verenigde Naties. Het tijdperk van de "reformasi" na het aftreden van Soeharto heeft tot nu toe geleid tot een democratischer politiek milieu, inclusief een programma voor regionale autonomie en de presidentsverkiezingen van 2004. Echter, politieke instabiliteit, sociale onrust en corruptie hebben het democratiseringsproces aanzienlijk vertraagd. Hoewel de relatie tussen de verschillende etnische en religieuze groeperingen over het algemeen harmonieus is blijft sektarische geweld in sommige gebieden een probleem. In 2005 werd er een politiek akkoord gesloten tussen de regering en de gewapende rebellen van de separatistische beweging GAM (Gerakan Aceh Merdeka) in Atjeh. Sindsdien noemen deze laatsten zich een overgangsorganisatie, Komite Peralihan Aceh (KPA).


