⇐ Aardrijkskunde

Toerisme / Vervoer ⇒

Cultuur / Godsdienst

Sport

De Olympische Spelen hebben hun oorsprong in Griekenland. Aangenomen wordt dat de klassieke Spelen werden gehouden van 776 vóór tot 393 ná het begin van de christelijke jaartelling. De eerste moderne Spelen werden in 1896 georganiseerd.

In 2004 won Griekenland voor het eerst in de geschiedenis het EK voetbal.


Om hun eten te bereiden gebruiken de Grieken typische eigen ingrediënten, zoals olijfolie, kaas, aubergine, courgette en yoghurt. Veel desserts bevatten noten en/of honing.De Griekse keuken (Ελληνική κουζίνα) is de traditionele keuken. Het is een typische mediterrane keuken en vertoont gelijkenissen met de keukens van de Balkan, Italië, Turkije en het Midden-Oosten.

Vanouds zijn in de Griekse economie de scheepvaart en het toerisme belangrijke factoren. De scheepvaart draagt voor 4,5% bij aan het bnp en biedt 160.000 mensen (4% van de arbeidsplaatsen) werk. De Griekse reders bezitten de grootste vloot ter wereld met 3.079 schepen, wat ongeveer 18% van de wereldcapaciteit is. De economie van Griekenland is voor 15% afhankelijk van het toerisme. Trekpleisters zijn de vele bezienswaardigheden uit het verleden, de eilanden en de vele stranden. Griekenland heeft ondanks een overschot op de dienstenbalans een groter tekort op de handelsbalans waardoor de betalingsbalans sterk negatief is.

Ongeveer 5,1% van de beroepsbevolking is werkzaam in de landbouw. Gemiddeld zijn de landbouwbedrijven 10 hectare groot.

Energievoorziening

Griekenland produceerde 8,8 miljoen ton olie-equivalent (Mtoe) in 2014 (1 MToe = 11,63 TWh). 72% daarvan waren kolen, 27% was duurzame energie. Dat was niet genoeg voor de energievoorziening; het TPES (total primary energy supply) was 23 Mtoe. Het land importeerde 17 Mtoe fossiele brandstof meer dan het exporteerde.

Van de energie ging ongeveer 8 Mtoe verloren bij conversie, vooral bij elektriciteitsopwekking uit fossiele brandstof. Voor eindgebruikers resteerde 15 Mtoe waarvan 4,3 Mtoe aan elektriciteit.

De uitstoot van kooldioxide was 66 megaton, dat is 6 ton per persoon. Het wereldgemiddelde was 4,5 ton per persoon.

In de periode 2012-2014 daalde het eindgebruik met 10%, maar het elektriciteitsgebruik bleef ongeveer gelijk. De hoeveelheid met zon en wind opgewekte elektriciteit steeg met 34% en leverde 15% van alle elektriciteit aan eindgebruikers in 2014.

Delfstoffen

Griekenland heeft ook onontgonnen voorraden delfstoffen. Volgens schattingen zou de Golf van Patras 200 miljoen vaten ruwe olie op kunnen leveren. Dat zijn er nog eens 80 miljoen bij Ioannina en bijna 3 miljoen voor de kust van Katokolo. Schattingen zijn dat de totale offshore olie in Griekenland meer dan 22 miljard vaten olie bedraagt in de Ionische Zee en zo’n 4 miljard vaten in het noorden van de Egeïsche Zee. Het zuiden van de Egeïsche Zee en de Zee bij Kreta moeten nog worden onderzocht, de cijfers kunnen dus nog aanzienlijk stijgen. Tulane University en olie-expert David Hynes maakten een conservatieve schatting dat de exploitatie van de ontdekte reserves Griekenland in 25 jaar tijd meer dan €302 miljard op zou kunnen leveren.

Uit bodemonderzoek is gebleken dat er ongeveer 230 ton goud, 1500 ton zilver, 740.000 ton koper en 1,5 miljoen ton lood en zink in de grond zit in de regio Halkidiki.[bron?] Ook in andere regio's zit veel erts in de bodem.

Economische ontwikkeling vanaf 2000

In juni 2000 viel het Europese besluit dat Griekenland ook de euro kon invoeren en dus afscheid kon nemen van de drachme. Het werd in 2001 het 12e land met de euro, nadat de eerste 11 landen in 1999 de euro (alleen giraal) hadden ingevoerd. In 2002 werden in alle eurolanden de euro fysiek (munten en bankbiljetten) ingevoerd. Tussen 1993 en 1999 was de economische groei gestegen van zo'n 2% naar 3,4% in 1999, de inflatie was gedaald van boven de 10% naar gemiddeld 6,8% in de betrokken periode en bereikte zelfs 2,1% in 1999. Ondanks een forse reductie van het begrotingstekort, van 13,6% van bruto nationaal product (bnp) in 1993 naar 3,1% in 1999, bleef de staatsschuld hardnekkig boven de 100% van het bnp. De ratio was wel licht gedaald van 110,1% in 1993 naar 104,6% in 1999. Al deze ontwikkelingen waren voldoende redenen om de euro in Griekenland te introduceren.

De introductie van de euro leidde tot een periode van ongekende macro-economische stabiliteit. De Griekse inflatie daalde verder en was gemiddeld 3,3% tussen 2001 en 2007. De rente op Griekse staatsleningen met een looptijd van 3 jaar daalde naar 5% in 2001 terwijl tussen 1990 en 1994 de gemiddelde rentevoet nog 22% was. De reële economische groei was gemiddeld 4,2% tussen 2001 en 2007. Vooral de binnenlandse consumptie leverde hieraan een belangrijke bijdrage dankzij hogere inkomens en een ruime kredietverlening aan consumenten. De productie bleef hierop achter waardoor de extra binnenlandse vraag vooral werd gedekt door stijgende importen van goederen en diensten met een verdere significant verslechtering van de betalingsbalans tot gevolg. De export steeg nauwelijks omdat de internationale concurrentiepositie verslechterde door hogere arbeidskosten die niet gecompenseerd werden door productiviteitsverbeteringen. In 2004 werd de berekeningswijze voor het tekort aangepast. Dit leidde tot een forse opwaartse bijstelling van de Griekse begrotingstekorten met 1% tot 1,5% van het bnp voor de jaren 2001 tot en met 2003, maar ook de jaren 1997-1999 die boven de 3% van het bnp uitkwam en daarmee boven de toetredingsdrempel voor de euro. Ondanks de hoge economische groei en lage inflatie, bleef Griekenland een begrotingstekort van meer dan 3% houden en de staatsschuld bleef boven de 100% terwijl een trendmatige daling naar 60% van het bnp was afgesproken. De Europese Unie tikte het land in mei 2004 op de vingers en eiste maatregelen. De overheid bleef echter in gebreke, de zwarte economie bleef floreren, belasting werd nog steeds ontdoken en de corruptie nam toe. In de acht jaar tot 2007 nam de staatschuld met 112 miljard euro toe en alleen dankzij de snelle economische groei bleef de staatsschuld net boven de 100% van het bnp steken.

Griekenland is binnen de Europese Unie het land dat per saldo het meest geld ontvangt van de Unie. In de periode 2007 tot en met 2013 ontving het in totaal 33 miljard euro, gemiddeld bijna 5 miljard euro per jaar, meer dan het aan het Europese Unie afdroeg. Tot 2009 was Griekenland de grootste netto-ontvanger, maar in dat jaar werd Griekenland ingehaald door het zowel economisch als qua aantal inwoners grotere Polen.

In onderstaande tabel staan enkele belangrijke economische gegevens van het land. Opvallend zijn de grote tekorten op de begroting van de overheid en zeer de hoge staatsschuld. Als gevolg van de kredietcrisis die in 2008 begon, zijn de tekortkomingen van de Griekse economie en de zwakke financiële positie van de overheid duidelijk voelbaar geworden.

Financiële crisis

In mei 2010 kreeg de regering van Giorgos Papandreou te maken met grote financiële tegenvallers. De Griekse overheid bleek jarenlang de financiële cijfers vervalst te hebben. Mede als gevolg van de internationale kredietcrisis en voortgaande ongecontroleerde uitgaven raakte Griekenland in een grote financiële crisis die ook gevolgen voor de eurozone heeft. Alleen met de hulp van de EU-landen en IMF kon het voorkomen worden dat Griekenland failliet ging. De EU en het IMF schoten het land te hulp met leningen, maar in ruil daarvoor moest Griekenland het begrotingstekort terugdringen.

De regering kondigde een groot aantal maatregelen aan. Zo besloot ze tot een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar 65 jaar. Het gemiddelde ambtenarensalaris werd sterk verminderd en een deel van ambtenaren zou worden ontslagen. Ook de pensioenen werden verlaagd. De btw werd verhoogd, evenals de accijns op alcohol en tabak. Het aantal gemeenten werd teruggebracht van 1000 naar 400, en een aantal staatsbedrijven zou worden geprivatiseerd. Deze maatregelen zorgden voor stakingen, grootschalige demonstraties en rellen waarbij doden en gewonden vielen. Vele vermogende Grieken hebben hun geld het land uit gesluisd naar buitenlandse bankrekeningen. Op 11 november 2011 werd een nieuwe regering onder leiding van Loukas Papadimos geïnstalleerd om de ontstane politieke impasse over de bezuinigingen te doorbreken.

In het voorjaar van 2012 werd zo’n € 100 miljard van de Griekse schuld aan particulieren geëlimineerd. Deze schuldkwijtschelding was een voorwaarde voor nieuwe financiële steun aan het land van de “trojka” van Europese Unie, ECB en IMF. Ongeveer € 200 miljard aan bestaande schulden aan banken en particulieren werd voor 46,5% geconverteerd in nieuwe schulden tegen zachtere voorwaarden en de rest werd kwijtgescholden. In december 2012 kocht de Griekse staat voor € 31,8 miljard nominaal aan schuld terug. Houders van deze obligaties hebben de stukken aangeboden tegen een gemiddelde koers van 33,8% en accepteerden daarmee een fors verlies. Het waren Griekse banken en buitenlanders die, elk voor ongeveer de helft van het totale bedrag, obligaties hebben aangeboden. De Griekse staatsschuld daalde hiermee per saldo met iets meer dan € 20 miljard oftewel zo’n 9-10% van het bnp.[ Deze terugkoopactie was een van de voorwaarden die het IMF stelde voor verdere noodleningen aan het land verstrekt zouden worden.

Begin 2015 trad het kabinet-Tsipras aan. In de verkiezingscampagne had de partij haar kiezers beloofd de bezuinigingsmaatregelen stop te zetten die het kabinet-Samaras had ingevoerd in ruil voor 240 miljard euro noodleningen. De partij zou ook een gedeeltelijke kwijtschelding van de Griekse staatsschuld eisen. Tot slot beloofde Syriza twee miljard euro te investeren in noodhulp voor de allerarmste Grieken, ontslagen ambtenaren weer aan te nemen en de privatisering te staken. Deze eenzijdige maatregelen en andere verkiezingsbeloften leidden tot uitermate stroeve onderhandelingen met de Europese Unie, het IMF en de ECB over het financiële hulpprogramma. Eind juni 2015 staakten de onderhandelingen zonder resultaat. Op 30 juni 2015 miste Griekenland een aflossing van € 1,6 miljard aan het IMF. Het land bleef daarom in gebreke en kon alleen nog financiering vanuit het IMF krijgen wanneer deze betalingsachterstand zou zijn ingelopen. Op 5 juli 2015 werd een referendum gehouden met het "nee-kamp" als duidelijke overwinnaar: de Grieken gingen niet akkoord met het Europese noodplan en wezen verdere besparingen af.